De geur is het eerste wat me te binnen schiet. Een penetrant mengsel van teer, zwaar shaggie, brak water en, afhankelijk van de wind, de zoete, weeïge lucht van cacao of de metaalachtige stank van erts. Die geur was Rotterdam. Het was de geur van werk, van aankomst en vertrek, van geld dat verdiend werd met zweet en spierballen.
Vandaag de dag ruikt de haven naar niets. Of misschien, heel ver in de polder, naar de steriele lucht van een serverruimte.
Als je Rotterdammers van een zekere leeftijd hoort beweren dat "vroeger alles beter was" in de haven, wuif het dan niet weg als simpele nostalgie. Ze hebben gelijk. Niet feitelijk, natuurlijk. De haven van vandaag is een economisch wonder; groter, efficiënter, schoner en oneindig veel productiever dan ooit tevoren. Maar in die nietsontziende jacht op efficiëntie is de haven zijn hart verloren.
Wat is er dan precies verdwenen?
Het antwoord is simpel: de mens. De haven van toen – de Rijnhaven, de Maashaven, Katendrecht – was een theater van fysieke arbeid. Duizenden mannen, 'sjouwers' en 'boeters' genaamd, krioelden over de kades en in de buiken van de schepen. Ze sleepten zakken jute van vijftig kilo, rolden vaten, en stuwden kisten met een precisie die je vandaag alleen nog in een ballet ziet.
Het was een wereld van 'niet lullen maar poetsen', van directe confrontatie met het materiaal. Een havenarbeider raakte de lading aan. Hij voelde het gewicht, hij rook de herkomst.
Vandaag wordt de haven bestuurd vanuit een toren op de Maasvlakte, door een procesoperator met drie schermen voor zich. De lading? Die zit in een gestandaardiseerde stalen doos. De 'sjouwer' is vervangen door een AGV – een geruisloos, onbemand karretje dat als een spook over het perfect geasfalteerde terrein glijdt. Waar vroeger het geluid van rammelende kettingen, schreeuwende voormannen en sissende stoomlieren de boventoon voerde, hoor je nu slechts het zachte piepen van achteruitrijdende systemen.
De doodsteek voor de oude haven had een naam: de container. Vanaf de late jaren zestig veranderde deze uitvinding de logistiek voorgoed. Het 'stukgoed' – de diverse zakken, kratten en balen die de haven zo’n bonte aanblik gaven – verdween.
Met de container kwam de standaardisatie. En met standaardisatie kwam de automatisering. De haven had geen spierballen meer nodig, maar kranen die een doos van A naar B konden verplaatsen. De 'romantiek' van het laden en lossen werd gereduceerd tot een logistieke vergelijking.

